Het woord coachen wordt vaak misbruikt of als synoniem gebruikt voor ‘instrueren’, ‘bevelen’, ‘delegeren’. Als leidinggevende kan je de pet van coach ‘opzetten’. Dit is één van de vier rollen van de leidinggevende. Onder deze pet vallen alle stappen die je zet om je team en/of medewerker te ontwikkelen, zowel vakinhoudelijk als op het vlak van interpersoonlijke vaardigheden en persoonlijke groei.

In deze module kijken we in eerste instantie naar de pure vorm van coachen en verwijzen we regelmatig naar de leidinggevende context.

‘Coachen is iemands potentiële kwaliteiten vrijmaken zodat hij zo goed mogelijk presteert. Het is geen onderwijzen maar het bevorderen van leren.’

(Gallway in Whitmore, 1995).

Een beetje geschiedenis

De term ‘coaching’ komt uit het Frans (coche). Coach is het Franse en later (rond 1500) Engelse woord voor een wagen om mensen te transporteren van de ene naar de andere plaats. Het besturen van een koets werd coaching genoemd. De bron van het werkwoord ‘to coach’ is ‘het vervoeren van een gewaardeerd, of waardevol persoon van waar hij was naar waar hij wil zijn’. Rond 1840 werd het woord coach voor het eerst gebruikt bij de universiteit van Oxford Engeland, om een privéleraar aan te duiden die studenten voorbereidde op een tentamen. In 1889 wordt de term voor het eerst genoemd in de sportwereld voor iemand die een roeiteam begeleidde. In de jaren 80 van de 20e eeuw werd het woord coaching geïntroduceerd in het zakelijke spraakgebruik. In 1988 was coaching ingeburgerd. (cfr Wikipedia)

Uit bovenstaande tekst blijkt dat de coach dan wel aan het stuur zit, hij of zij bepaalt niet waarheen de passagier gaat. Het is de passagier die vooraf bepaalt waarheen hij wil. In een leidinggevende context is het net dit aspect dat voor spanning kan zorgen. Jij wordt verantwoordelijk geacht voor het resultaat van je team of dienst, waardoor je mogelijk in de valkuil van een sturende stijl terecht komt.

Als leidinggevende coach je om de medewerker te begeleiden bij het behalen van betere resultaten en het optimaal benutten van zijn mogelijkheden. Belangrijk in dit verhaal, is dat de medewerker mee wil in de aangegeven richting.

Coachen kan je op meerdere niveaus:

Ondersteunen

De coach is aanwezig als de persoon de activiteit uitvoert. De coach is een metgezel, hij zorgt voor het goede verloop van de activiteit. Aanwezig zijn heeft op zich een stimulerende waarde. Deze vorm van coachen heeft een belangrijke waarde in het begeleiden van sportatleten.

Monitoren

De coach helpt met het formuleren van doelen, middelen en acties opdat een vooropgesteld resultaat kan behaald worden. Stap voor stap volgt de coach de vooruitgang.

Ontwikkelen

de coach vestigt de aandacht op hoe de persoon iets aanpakt en wat hij daarin kan leren zodat hij meer kansen op succes heeft.

De coach helpt de medewerker om voor zichzelf ontwikkelingskansen te zien en gerichte activiteiten te ondernemen om zich nieuw gedrag en vaardigheden eigen te maken. Leren leren heeft ook hier een plaats: mensen leren zichzelf sturen in het verleggen van hun grenzen en het verwerven van nieuw gedrag.

Inspireren

De coach spoort het enthousiasme van mensen op, zwengelt de onderzoekzin aan, laat een spoor na van ‘er zin in hebben’, ‘het weer zien zitten’, ‘het willen aanpakken’, ‘een nieuw perspectief zoeken’.